De Vierwaldstättersee

De Vierwaldstättersee is een fantastische vakantieplaats

De Vierwaldstättersee is deze keer ons reisdoel. Zwitserland is een prachtig land om op vakantie te gaan en dan vooral de omgeving van de Vierwaldstättersee. Het heeft alles dat toeristen zoeken: in de winter is het er schitterend en kunnen er alle wintersporten beoefend worden. In de zomer genieten toeristen rond de Vierwaldstättersee van de natuur. Niet alleen van de hoge bergen, maar ook van de enorme vergezichten, wandelgebieden, beken en rivieren.

De naam

De naam Vierwaldstättersee komt vermoedelijk door het verbond van vier staten. Dat verbond werd omstreeks 1332 gesloten door Luzern, Uri, Schwyz en Unterwalden. De Zwitsers zijn erg gesteld op hun eigen nationaliteit. Daarvan getuigen de vele vlaggen van de betreffende kantons die overal vanaf overheidsgebouwen en gewone woonhuizen wapperen. Zelfs kabouterhuisjes in tuinen zijn er soms zelfs mee versierd. De nationale feestdag op de eerste augustus wordt enthousiast gevierd met een vrije dag en veel vuurwerk. Niet alleen in de dalen, maar  ook op de toppen van de bergen. Het massaal uithangen van de vlaggen van het eigen dorp, stad en kanton hoort daar natuurlijk bij. Bovendien hangt men natuurlijk de Zwitserse vlag uit evenals de (kleinere!) vlaggen van de andere kantons. Het eigen kanton is voor een Zwitser echter het belangrijkst.

Zwitserland is duur

Zwitserland is een duur land. Vooral vlees, kaas, groenten, fruit, uit eten, e.d. zijn erg prijzig. De benzine is echter weer goedkoop. Prettig is het verkeersgedrag van de Zwitsers in Uri. Ze zijn attent, niet opdringerig, geven vaak voorrang, ook als dat niet hoeft. Ze stoppen altijd voor een zebra, ook als ze een voetganger zien die slechts aanstalten maakt om over te steken. Ook buiten de zebra gebeurt dat vaker. Voor ons, Nederlanders, betekent dat relaxed rijden na het vaak agressieve gedrag van de Nederlandse automobilisten. Zwitsers van Uri zijn over het algemeen vriendelijker dan bijvoorbeeld van het kanton Wallis. Het kanton Uri is volgens onze ervaringen, behalve het prijzige levensonderhoud, een ideale plaats om vakantie te houden. Het kanton ligt vrij centraal en heeft verschillende attractieve mogelijkheden.

Watersport op de Vierwaldstättersee

De Vierwaldstättersee is een prachtig meer met veel zeilers, surfers, boot lijndiensten en jachthaventjes met plezierboten. Er kan gezwommen worden en de dorpen die aan het water liggen zijn gezellig, mooi en hebben veel te bieden. Vooral aan historie en kunst. Luzern is binnen bereik als het eens een dag wat minder mooi weer is. Bijna alle kerken die we bezocht hebben waren het bekijken meer dan waard. Ook de nog steeds levende legende van Wilhelm Tell heeft wel iets!

Hoge bergen met gletsjers

Ten zuiden van de Urnersee (het onderste deel van de Vierwaldstättersee) liggen hoge bergen. Er zijn gletsjers, prachtige, diepe dalen en kloven en veel opmerkelijke pasovergangen. Men kan fantastische bergtochten maken en van de ene hut naar de andere wandelen. Wij hebben ons deze keer beperkt tot dagtochten en bezienswaardigheden, omdat we zoveel mogelijk van de omgeving wilden verkennen. Het weer was in de tijd dat wij er waren nogal veranderlijk, maar dat was het in die tijd in heel Europa. Aan het meer bleef het echter vaak uitzonderlijk lang open en zonnig. Kortom: Uri is een vakantiebezoek meer dan waard.

De reis

We rijden ‘s nachts met onze Opel Omega richting ons vakantieadres in Zwitserland. We reizen wel vaker ‘s nachts. Het is rustiger, geen files en het is ‘s zomers immers maar een paar uur echt donker. We doen dat al sinds onze kinderen klein waren. ’s Nachts hoeven kleintjes immers geen eten, geen schone luiers, jengelen niet, maar slapen. Als het ochtend wordt, zijn ze al bijna op de plaats van bestemming. We hebben alleen goede herinneringen aan die nachtelijke reizen overgehouden. Een vriendelijke, Zwitserse douanier plakt het vignet op onze voorruit en dan kunnen we ongehinderd Zwitserland binnen.

Basel is een industriestad

De eerste indruk is overdonderend; niet vanwege het natuurschoon, maar vanwege de enorme industriële bedrijvigheid rond Basel. Gelukkig zijn we er binnen korte tijd doorheen en komen we in een heuvelachtig gebied. Het is helder weer na een week met enorme stortbuien en het zicht is prima!  Via Schwyz rijden we naar Brunnen. Aan bijna alle kanten rijzen de bergen praktisch loodrecht uit het water op. De spaarzame glooiende plekjes zijn bezet door gezellige dorpen en stadjes. We eten ons brood op aan de rand van het meer en voeren de enorm tamme mussen uit de hand.

Flüelen en Altdorf

We passeren het stadje Flüelen met zijn oude en nieuwe kerk en zijn statige, oer-Zwitserse huizen. Ook de eerste indruk van Altdorf, de hoofdstad van het kanton Uri aan het eind van de Urnersee, is die van een interessant stadje. Er zijn prachtige, soms mediterrane huizen en tuinen. Er staat een standbeeld van Wilhelm Tell, de trots van alle Zwitsers en vooral de trots van het kanton Uri. Ons einddoel is echter een gehuchtje bij het dorp Unterschächen in het Schächental, langs de weg die door het dal naar de Klausenpas voert. Daar hebben we een appartement geboekt.

Een ruime bovenwoning

Het blijkt bij aankomst een ruime bovenwoning, die in de winter door de grootmoeder bewoond wordt, maar ’s zomers verhuurd wordt aan de gasten. Dat is overigens goed te zien aan de tientallen foto’s van kinderen en kleinkinderen. Ook de vliegen strips, inclusief diverse lijken van insecten, aan de lampen en de verschillende kastdeurtjes met “privat” erop die bij een voorzichtige inspectie sokken e.d. blijken te bevatten. Het is niet helemaal wat we bedoeld hadden, maar de ontvangst is tegemoetkomend en vriendelijk. We laten het dus maar zo, temeer omdat onze gastvrouw met een gebroken voet in het ziekenhuis blijkt te liggen. Haar zus neemt nu even de honneurs op een lieve manier waar.

De Klausenpas

Na een uurtje rust en een lichte maaltijd met verse, Zwitserse  broodjes, vertrekken we nieuwsgierig naar de Klausenpas. Die ligt maar een paar slingerende kilometers verderop. Op de smalle, tweebaanse bergweg komen we tot onze verrassing tientallen oldtimers tegen. Boven op de pas wordt het ons pas duidelijk: hier wordt elk jaar een oldtimer-rennen georganiseerd. Dat feit is blijkbaar zó bekend, dat bezitters van oldtimers vaak al in de zomer voor hun plezier, om te oefenen, en voor de kick, deze pas oversteken.

Dure auto’s

We zien een rode, vooroorlogse Lagonda en heel veel MG-, Lotus-, Ferrari-, Jaguar-, Mercedes-, en Alfa Romeo-emblemen. Mijn mannen halen hun hart op en zijn er bijna niet van weg te slaan. Ook de omgeving is het aanzien waard. Hoog oprijzende, scherp gekante rotsen, die wel wat weg hebben van de Karawanken in het zuiden van Karinthië.

Net een kasteel

Op de kop van de pas ligt een ronde rots, die als een statige burcht omhoog rijst naar de hemel. We hebben zin in een kop koffie, maar na het zien van de hoge prijs voor een portie frites vergaat ons de zin. We houden het maar bij een bezoekje aan de kleine kapel en een zonnebad op het bankje ernaast. De avond houden we rustig, want na de vorige, doorwaakte nacht en deze drukke dag is iedereen te moe om nog maar iets te kunnen doen. Slapen dus!

Schwyz en de “Tellsplatte”.

Nadat de zon zich in de vroege ochtend nog even heeft laten zien is de lucht tegen een uur of tien al helemaal grijs en regent het lichtjes. Geen weer om een fikse bergwandeling te maken. We zijn allemaal nog wat moe en besluiten tot een gemakkelijke rondrit langs wat dorpen en stadjes bij de Vierwaldstättersee. Het eerst rijden we terug naar Schwyz. We waren daar gisteren weliswaar langs gereden, maar het staat met een groene kring eromheen op de kaart aangegeven als een bezienswaardig stadje. Dat klopt. De kern is prachtig! Vooral het compleet beschilderde stadhuis wekt onze bewondering.

Het stadhuis van Schwytz, dicht bij de Vierwaldstättersee, is een markant gebouw.
Het stadhuis van Schwytz, dicht bij de Vierwaldstättersee, is een markant gebouw.

Eindelijk droog

Hier regent het niet meer, dus we stappen uit en maken er een foto van. Dat kan echter pas nadat een Amerikaans stel vertrokken is, dat uitgebreid precies in ons blikveld is gaan staan en ons daarbij uitdagend aankijkt. De recent gerestaureerde kerk is een prachtstuk met zijn barokke altaar, de grote schilderijen en het vele bladgoud. De kleine kapel ernaast is in 1600 gebouwd ter ere van het kruis dat op wonderbaarlijke wijze gespaard bleef bij een grote brand.

Het mooie mortuarium

Dicht daarbij staat ook het mooie, oude mortuarium dat nog steeds in gebruik is. Na een rondje langs wat oude huizen stappen we in de auto en rijden via de Lauerzer See naar de Zuger See en eten bij het plaatsje Arth aan het water onze boterhammen op. Dat doen we in de auto, want het regent alweer. Niemand heeft zin om uit te stappen. We rijden via de andere kant van de Lauerzer See, dat een prachtig meer blijkt te zijn met een mooi, klein eilandje er midden in. naar Brunnen. Een plaatsje dat dat op het punt ligt waar de Urnersee in de Vierwaldstättersee over gaat.

Parkeerplaatsen aan het water

We vinden een parkeerplaats aan het water. Aan het andere eind van de Urnersee is tot onze verrassing een zeil regatta aan de gang. Het wemelt in de verte van de zeilboten. Jammer genoeg is het te grijs om er mooie foto’s van te maken. We besluiten tot een kleine wandeling langs het meer en een terugweg door het stadje. Het stadje heeft namelijk een mooie, lange promenade. Aan het eind daarvan hebben we een prachtig overzicht op de bergen aan de overkant en de overgang van de Urnersee in de Vierwaldstättersee. De terugweg door het stadje voert ons langs een kleine kerk. Die is  gebouwd na een grote brand in 1600. De brand verwoestte niet alleen de kerk, maar ook een groot deel van de houten huizen in Brunnen. De kapel is gebouwd op de plaats van een afgebrand huis.

De Tellsplatte

Terug bij de auto besluiten we nog even naar de Tellsplatte te gaan. Dat is een klein plateau tussen de Urnersee en de met tunnels doorspekte weg naar Altdorf, die immers toch langs de route naar ons appartement ligt. Ook op de Tellsplatte moet namelijk een kapel liggen. Gezien het intussen opgeklaarde weer, kunnen we daar best even naar gaan kijken. Eerst rijden we echter nog even naar Morschach, waar we op de Axenstein een prachtig uitzicht hebben op een groot deel van de Vierwaldstättersee. Daarna dus naar de Tellsplatte!

Het verhaal van Wilhelm Tell

De kapel, die via prachtige schilderingen het verhaal van Wilhelm Tell laat zien, ligt echter helemaal beneden aan het water. Ze is slechts via een pad en een groot aantal treden te bereiken. Onderweg

De Wilhelm Tell Kapelle staat direct aan de Vierwaldstättersee
De Wilhelm Tell Kapelle staat direct aan de Vierwaldstättersee

passeren we daarbij een carillon in de buitenlucht, blijkbaar gespendeerd door een bekende chocoladefabrikant. De link daarvan met de Tellsplatte ontgaat me, of het moest een plak chocolade zijn, die door Wilhelm Tell op het hoofd van zijn zoontje doorboord moest worden! We drinken een kop koffie bij het restaurantje aan het water, waar ook de veerboot aanlegt. Omdat de lucht weer snel dicht trekt, vertrekken we als een haas naar ons appartement. Daar maken we een uitgebreide warme maaltijd met in het toetje de onderweg gekochte, verse abrikozen! Wat een luxe!

Seelisberg

De weersvoorspelling is goed, maar als we wegrijden is het nog bewolkt. Ons doel is vandaag het kleine kasteeltje Beroldingen, dat aan de overkant van het meer moet liggen. We rijden toch maar om de Vierwaldstättersee heen door een aantal tunneltjes via Isleten naar Bauen. Bauen is een klein dorpje aan de overkant dat vroeger compleet geïsoleerd lag. Het had alleen contact met de buitenwereld via het haventje en het voetpad naar Seelisberg. We laten de auto achter op de kleine parkeerplaats bij de haven en beginnen aan de steile klim naar boven. Onderweg passeren we afgelegen boerderijen die allemaal slechts via voetpaden te bereiken zijn. Het moet niet gemakkelijk zijn om hier te leven.

De trappen door het bos

Na 873 (!) trappen door het bos omhoog bereiken we de alm met het begin van de asfaltweg naar Seelisberg. Halfweg echter kunnen we linksaf een zandpaadje op en bereiken zo het kleine kasteeltje. Jammer genoeg kunnen we het kasteeltje niet bezichtigen, omdat het in handen is van de monumentenzorg van het kanton. Bovendien is er blijkbaar niemand aanwezig. Dan maar verder, want een half uurtje hiervandaan moeten een kabelbaan, een bergmeertje en een camping liggen.

Geen restaurant

Langzaamaan worden we ook dorstig. Bij de kabelbaan is echter, evenals bij de (minimale) camping, tot onze teleurstelling geen restaurantje, waar we wat kunnen drinken. Dan maar water uit de rugzak en de weg terug nemen. We zouden ook door kunnen lopen naar Seelisberg, maar dan moeten we via de boot terug naar Bauen. Daar staat immers onze auto en daar wordt het allemaal wat laat voor. De afdaling van de trappen op de terugtocht door het bos bezorgt ons trillende kuiten, maar we komen heelhuids beneden aan, waar juist de stoomboot aanlegt. Een man speelt accordeon en onze stemming verbetert zienderogen. Een kop koffie doet de rest.

Gotthard-, Furka-, Grimselpas en Sustenpas

Eindelijk! Zonnig en wolkeloos ligt de dag voor ons. We maken een passenrit: de Gotthard (niet eroverheen, maar tot op de top), de Furkapas, de Grimselpas en de Sustenpas. Eerst de Gotthardpas. We rijden via de Teufelsbrücke en Andermatt naar het rustige dorpje Hospental, waar een prachtige, oude tol toren op een stevige rots hoog boven het dorp uitsteekt.

De kerk van Hospental

We stappen even uit, klimmen naar de toren, waar overigens verder niets te zien is behalve een prachtig uitzicht over het dal. Daarna bezichtigen we de kerk die in de jaren 80 gerestaureerd is en met een overdaad aan bladgoud versierd is. Wie de moeite neemt om naar boven te kijken ontdekt bovendien een prachtig plafond met schilderingen en beeldhouwwerk. De Gotthardpas is echter druk en toeristisch. We trekken ons daarom terug in het oudste bouwwerk van de pas: de kapel. Hij is oud en mooi, maar naar onze smaak te goed gerestaureerd. Veel moois is vermoedelijk verdwenen onder lagen plamuur en witsel.

Naar de Furkapas

We rijden terug naar Hospental en slaan bij de kleine rotonde de richting van de Furkapas in. We rijden door een lang, prachtig groen dal met hoge, steile rotsen. Het is te begrijpen dat hier ooit het dorp “Zumdorf” totaal verwoest werd door lawines. We bereiken Realp, een rustig dorp met veel stenen gebouwen, die na een grote brand in de 19e eeuw de oude, vernielde houten huizen en kerk moesten vervangen. Enkele gespaarde houten huizen staan er echter nog. Ook hier is het lawinegevaar niet weg te denken. Via Tiefenbach bereiken we eindelijk de Furkapas, maar die is dan ook fantastisch! We hebben een prachtig uitzicht op de tegenoverliggende bergen met hun gletsjers. We ontdekken de Finsteraarhorn, de Lauteraarhorn en de Schreckhorn, waarbij een korte blik op de eerste en de laatste al duidelijk maakt dat ze hun naam eer aan doen!

De Rhône gletscher

We eten ons brood op bij dit prachtige uitzicht en vervolgen daarna onze weg naar de Rhônegletsjer. Die bereiken we al na korte tijd. We vinden wonder boven wonder meteen een parkeerplaats, want het is er superdruk. We wandelen wat rond en bewonderen het uitzicht op de gletsjer. In het winkeltje heerst de gebruikelijke drukte. Een groep Israëliërs loopt ons bijna omver, zonder zich ervoor te verontschuldigen. Niet erg netjes! Er blijkt ook een ijsgrot te zijn die men kan bezichtigen. Hoewel we niet echt achter dit soort ingrepen in de natuur staan, betalen we toch de entree van

De fantastische ijsgrot van de Rhonegletscher is vanaf de Vierwaldstättersee goed te bereiken.
De fantastische ijsgrot van de Rhonegletscher is vanaf de Vierwaldstättersee goed te bereiken.

enkele francs en gaan er in.

De ijsgrot is prachtig

Het is fantastisch! Een ander woord is er niet voor. Hoewel het logischerwijs drupt en de weg behoedzaam gevolgd moet worden over af en toe wankele planken, is het zacht blauwe, doorschijnende licht erbinnen van een waanzinnige schoonheid. Je wordt er stil van. Bij de uitgang loop je natuurlijk weer een aantal ijskoude, natte plekken op, maar iedereen lacht daarom. Ik loop een fikse splinter (van de leuning) in mijn hand op bij de klim terug naar boven, maar dat doet geen afbreuk aan de ervaring. We vervolgen onze weg naar beneden via Gletsch naar de Grimselpas. Ook daar stoppen we even. Er is een minidierentuintje met kleine dieren zoals een sneeuwuil, marmotten, wasbeertjes en vogels. Eigenlijk niet zo denderend; de hokken zijn in feite te klein. Er is ook een museum met mooie mineralen.

Een aparte weg

We hebben nou eenmaal iets met stenen en gaan altijd kijken! Links van de pas

De sneeuwuil uit de kleine dierentuin, gezien op onze passenrit ten zuiden van de Vierwaldstättersee.
De sneeuwuil uit de kleine dierentuin, gezien op onze passenrit ten zuiden van de Vierwaldstättersee.

ligt een smalle weg naar Oberaar. Die slaan we in. Je mag er elk half uur tien minuten oprijden en vice versa, zodat het er toch altijd eenrichtingsverkeer is. Je kunt er namelijk slechts op een stuk of zes punten iemand laten passeren. De weg is maar één auto breed! Na een minuut of tien bereiken we het stuwmeer, waarachter een prachtige gletsjer ligt. We genieten van het uitzicht, maar moeten de tijd in de gaten houden, want als we niet op tijd terugrijden, moeten we een uur wachten.

Meiringen

Terug bij de Grimselpas nemen we de weg naar beneden en vandaar naar Meiringen. Dat is de plaats waar volgens de overlevering de Londense detective Sherlock Holmes van Scotland Yard in de bergen bij een gevecht met een van moord verdachte man in een ravijn gestort is en het leven verloor. Zijn aanwezigheid is onmiskenbaar. We ontdekken een standbeeld van de man met zijn gebruikelijke pet en zijn pijp in zijn geliefde zithouding: met de elleboog op de knie. Bovendien is er een Sherlock Holmes hotel, een Sherlock Holmes bar, enzovoorts.

De Sustenpas is prachtig

Meiringen maakt blijkbaar gretig gebruik van zijn beroemde gast. Het is al laat. Graag hadden we de Aareschlucht nog gezien, maar we moeten de Sustenpas nog over. Het is nog een lange weg naar huis, dus laten we hem met spijt in het hart links liggen. Op de Sustenpas stappen we voor de laatste keer uit. De lage zon valt in het dal en de hoge bergen achter ons lijken doorschijnend in het wazige avondlicht. De beroemde Steingletsjer is prachtig. Ook hier heeft men een stuwdam aangelegd. Niet zo mooi, maar wel praktisch! Via het Meiental rijden we terug naar Wassen en vandaar naar huis. Het is acht uur als we eindelijk thuis zijn. We zijn moe en moeten nog eten koken, maar het was vandaag de moeite waard.

De Teufelsbrücke, Hospental en Val Bedretto

Het weerbericht belooft voor onze streek in de middag wolken en wat regen. Voor beneden de Gotthardpas voorspellen ze echter alleen zon en wolken, dus we besluiten naar het zuiden te rijden. Op die manier kunnen we de dag in zijn geheel benutten. We nemen deze keer niet de provinciale weg, zoals gisteren, maar de autobaan tot de afslag Andermatt. Daarna nemen we dezelfde weg via Teufelsbrücke en Hospental naar de Gotthardpas.

De Teufelsbrücke

Bij de Teufelsbrücke stappen we even uit om daar de straat over te steken en de oeroude pijlers van de oudste brug te kunnen ontdekken. Tevens bekijken we  de voorlaatste brug uit de vorige eeuw die onder de huidige, betonnen brug ligt. Het is leuk om erover heen te lopen en te bedenken dat de oude postkoetsen daar overheen hebben gereden. De rivier de Reuss gromt er in een diep, ruig dal en slijpt de enorme rotsen daar tot ze spiegelglad zijn. Boven op de Gotthardpas houden we even halt om ons brood te eten, maar buiten de kermis van kraampjes en hoempamuziek.

Naar Airolo

Via de nieuwe weg rijden we naar beneden. We hadden ook de oude pasweg naar Airolo kunnen nemen. Aan het begin daarvan staan echter zoveel waarschuwingsborden dat we het zekere maar voor het onzekere nemen. Onderweg blijkt al gauw dat we daar geen spijt van moeten hebben. De oude weg kunnen we hier en daar zien liggen. Ze is nog te berijden, maar is voor het grootste deel met steentjes geplaveid en slingert met een enorm aantal haarspeldbochten naar beneden. Plaatselijk is ze vreselijk smal. Onze weg lijkt me dan ook veel veiliger en geeft in de diepte een prachtig uitzicht op het Valle le Ventina met Airolo mooi in het midden. Halfweg de rit naar beneden ligt een uitzichtspunt met een mineralenmuseum, dat gratis toegankelijk is. Leuk om te zien.

Bergkristallen zijn in de omgeving van de Vierwaldstättersee genoeg te vinden. Vooral in het Maderanertal.
Bergkristal (Furka)

Een interessant dorpje

Airolo blijkt een weinig interessant dorpje, dus we rijden door naar Lago Ritom, hoog in een zijdal, vlak bij Airolo. Er leidt een tandradbaantje naar boven, maar het is al drie uur en we besluiten met de auto naar boven te rijden. Dat lukt tot halverwege. Daar is de weg zo smal, dat men er alleen ‘s morgens omhoog mag en na 12 uur alleen naar beneden. Teleurgesteld keren we om, bekijken nog even het eronder liggende, ingeslapen dorpje Piotta, met zijn oude, zwart houten huizen en rijden dan het Val Bedretto in. Daar geven we er elf kilometer voor de pas de brui aan en zoeken lekker in de beek naar mineralen. Dat lukt, hoewel we er eerst een bruggetje van drie dikke, ronde boomstammen zonder leuning voor moeten oversteken.

Bergkristallen

Tot onze verrassing vinden we er een paar glasheldere bergkristallen en zelfs een kleine, mooie granaat. Terug op de Gotthardpas blijkt ons vermoeden waar. Vlagen mist komen ons tegemoet en het zicht wordt steeds minder. Het regent echter niet en bij Hospental rijden we onder de wolken door, maar van de omgeving is bijna niets meer te zien. De kloof bij de Teufelsbrücke ziet er bij nadering “duivels” zwart uit. We snappen nu waarom de brug die naam heeft. Aan de andere kant is het bewolkt en regenachtig. Het was dus een goede keus, om de pas over te steken en naar het zuiden te gaan.

Luzern

Het is bewolkt, maar droog. Het weerbericht voorspelt echter buien. Geen wandelweer dus. We vertrekken naar Luzern. Niet via de autoweg, maar de langere, mooie route langs het bochtige meer. Het eerste stuk langs de Urnersee is bekende weg, maar na Brunnen wordt het interessanter. We stappen even uit bij Gersau aan de Vierwaldstättersee en bezichtigen het kleine dorp en de prachtige, bezienswaardige kerk. Daarna besluiten we door te rijden, ook al nodigen verschillende mooie dorpen uit tot een bezoek. Luzern lokt. Het moet een mooie stad zijn en daar willen we tijd voor hebben.

Het Congrescentrum/museum van Luzern

Luzern is al vanaf de laatste bocht te herkennen aan het opvallend grote, overhangende dak van het Congrescentrum/museum. Het is ontworpen door de Parijse architect Jean Nouvel en versierd met een fikse fontein. Het centrum ligt op een prachtige plek direct aan het meer. Jammer genoeg is er uitgerekend nu een markt van curiositeiten op het kleine plein, zodat er van mooie foto’s maken niet veel terecht komt.

Het prachtige station van Calatrava

Aan de overkant van de straat ligt het moderne, opvallende station. Het is deels ontworpen door constructief ontwerper Calatrava, ook al een bekende naam in de bouwwereld. Het is niet zijn opvallendste project, want het is ontworpen in zijn beginperiode, vlak na zijn studietijd in Zürich. De poort van het oude stationsgebouw is bij de sloop gelukkig gespaard gebleven. Ze staat, inclusief oude stationsklok, te pronken op het plein voor het nieuwe gebouw.

De “Wasserturm”

We halen wat stadsinformatie aan de overkant van het water en maken een kleine rondgang door de oude stad. Natuurlijk zijn eerst het oude voetbruggetje, origineel gebouwd in 1400 met zijn talloze schilderingen uit de 17e eeuw en de bekende“Wasserturm” aan de beurt. De toren in het water heeft in de loop van de tijd al dienst gedaan als archief, schatkamer, gevangenis, verhoor- en folterkamer. Ze is het meest gefotografeerde onderwerp van Luzern. Vanaf de brug heeft men ook een fantastisch uitzicht op het romantische kasteeltje “Gütsch”, dat hoog boven de stad troont. We verlaten de brug en stappen even later de prachtige Jezuïetenkerk binnen. Met haar bruin marmeren zuilen, bruin rose schilderwerk tegen een witte achtergrond en haar prachtige schilderingen nodigt ze uit tot bewondering en bezinning.

Een mooie stad

We volgen de aangegeven route door de stad en genieten van de prachtig beschilderde huizen en de ideeënrijkdom van de oude bouwmeesters. Die wisten een huis nog eens te versieren. Met erkertjes, torentjes die door het dak heen naar boven wijzen en bogen, waar je comfortabel onder kunt winkelen. We nemen het tweede voetbruggetje, de “Speuerbrücke” uit 1408 terug over het water en bereiken de antieke, technische “Nadelwehr”uit 1860. Het bestaat uit een lange rij palen die men handmatig in of uit het water kan bewegen. Zo kan men de waterhoogte beïnvloeden.

De stadsmolens zijn verdwenen

Een paar rode merktekens markeren de plaats waar vroeger de stadsmolens stonden. We kopen wat fruit bij een knorrige verkoopster in de hal onder het oude raadhuis. We besluiten om niet meer de alternatieve route over de stadsmuren te doen, waarvan drie torens ter bezichtiging voor het publiek open zijn. Het zou te laat worden. Luzern is een prachtige stad, waar men eigenlijk een paar dagen zou moeten verblijven om hem in zijn geheel goed te kunnen bezichtigen. Bij ons vertrek passeren we nog het “Verkehrshaus der Schweiz”, waarvan de mooie, oude locomotieven voor de ramen uitnodigen voor een bezoek. Jammer genoeg is daar geen tijd meer voor. Moe (en laat!) komen we in ons appartement aan.

Altdorf, Seedorf en het Brunnital

Het weer is nog steeds niet denderend, maar de voorspellingen geven voor vanmiddag verbetering aan, dus gaan we voor wat informatie naar Altdorf. Altdorf is te groot en te stads voor een dorp, maar te klein om een stad genoemd te worden. Het heeft wel een wapen, maar geen stadsrechten. Haar kerken, kloosters en de vele, grote herenhuizen mogen echter gezien worden. Vooral het “Türmli” (torentje) met het grote standbeeld van Wilhelm Tell ervoor geeft een stadse indruk. Het is dus echt wel een bezoek waard.

Mist en regen op de Klausenpas

In Seedorf gaan we aan de oever van de Urnersee onze boterhammen opeten. Onze oudste zit echter naast me te rillen. Hij voelt zich niet lekker en we gaan daarom toch maar naar het appartement terug. Daar blijkt dat hij koorts heeft en echt grieperig is. Na een warm bad en wat paracetamol val hij in slaap en wij rijden eventjes gedrieën de Klausenpas op. Dat valt tegen! Boven verdwijnen we in een mistige wolk met motregen en teleurgesteld dalen we af. We besluiten om dan maar even het Brunnital in te rijden om de kleine lift te bekijken, waar we de volgende week nog eens mee naar boven willen gaan.

Een bakje als lift

Dat is echt lachen! De lift blijkt een vierpersoons bakje te zijn, dat van bovenaf de alp bediend wordt. Daarvoor moet men zich beneden telefonisch aanmelden. Kosten 5 franc enkele rit en 9 franc op en neer, per persoon. Beneden is echter niemand aanwezig en men moet dus bij aankomst boven betalen. Dat weten we dan ook alweer. We dalen af naar de beek, maar deze heeft voor ons geen verrassingen in petto in de vorm van mineralen of speciale gesteenten. Jammer.

Isental

Onze oudste is vandaag gelukkig weer wat beter. We rijden naar Isental, aan de overkant van de Urnersee. Een krappe weg uit 1901, gedeeltelijk uitgehouwen in de rotsen en hier en daar wat verbreed, voert ons steil omhoog, door een smalle kloof naar het dal erachter. Boven komen we de postbus tegen en we zijn blij dat ons dat niet op het smalste gedeelte gebeurd is. Het lieflijke dorpje Isental blijkt een mooi, in 1989 gerestaureerd kerkje uit 1821 rijk te zijn. Het heeft prachtige schilderingen en een kruisweg van Josef  Anton Mesmer. We ontdekken een altaar, kansel en doopvont van Josef Mosbrugger.

Mooi kerkhof

Ook het bijbehorende kerkhof is het bezichtigen meer dan waard met zijn prachtige, met houtsnijwerk en uitbundig bloeiende bloemen versierde graven. De mooie, houten pastorie is het oudste, nog authentieke gebouw van het dorp. De pastorie heeft als extra bijzonderheid een apart aangebouwde bisschopskamer. Ook de andere (meest houten) huizen zijn een tweede blik waard.
Verderop in het Grosstal ligt de kleine St. Jakob kapel uit 1862. Ze werd gebouwd nadat de oorspronkelijke, houten kapel door de buiten zijn oevers getreden beek weggespoeld was.

Grossthal met St. Jakobkapel, dicht bij de Vierwaldstättersee.
Grossthal met St. Jakobkapel

Kaasopslag plaatsen

Tijdens diezelfde overstroming zijn op deze alm ook diverse kaasopslagplaatsen weggespoeld. Slechts eentje heeft het overleefd. Het is een oude, grijshouten hut met bovenin het bouwjaar 1687 en boven de deur het jaartal van de overstroming: 1847. Met een kabelbaantje kan men tenslotte rechts omhoog naar Gitschenen, vanwaar men een prachtig uitzicht heeft op de besneeuwde bergen aan het einde van het dal.

De Klausenpas en het Lintal

Een stralend blauwe lucht nodigt ons uit om onze nieuwsgierigheid naar het dal aan de andere kant van de Klausenpas te bevredigen. Op weg daarheen passeren we weer diverse oldsmobiles en motorrijders. Ze benutten de zondag om de rit alvast te oefenen voor de race in september. Aan de andere kant van de Klausenpas passeren we de Urnerboden; een hooggelegen, langgerekt, groen dal met diverse kleine nederzettingen. Vaak bestaan die uit oude houten woningen en schuren. De ruisende Fatschbach en steile, rotsachtige wanden die rechtop naar de hemel reiken zorgen voor een prachtig geheel. Volgens de Zwitsers is het een van de mooiste Alpen in het land en zo te zien hebben ze gelijk.

Het Linthal

Via serpentines dalen we diep af, want we willen naar het Linthal. We maken daarom beneden een fikse draai naar rechts, parkeren aan het eind van de weg onze auto en bestijgen (letterlijk!) de moreneheuvel die voor de ingang van het dal ligt. Het is met recht een steile klim, waarna een tocht door een smalle kloof met gladde, steil oprijzende rotsen volgt. Diep beneden ons wringt de beek de Linth zich woest een weg door de kloof. We steken een stenen brug uit 1902 over, waaronder bij nader onderzoek nog een smal, stenen bruggetje uit 1851 ligt.

De vijfde brug

Grappig, want ook dat bruggetje is volgens een plakkaat aan de rots al de vijfde brug. Het blijkt dat al vanaf 1400 veedrijvers dit dal gebruikt hebben om hun vee achterin het dal te weiden. Het dal blijkt langgerekt en de weg blijft stijgen. Op de kaart zien we dat we vanaf het beginpunt naar ons einddoel van 805m naar boven de 1300m klimmen. Het is warm, maar het rustige dal is prachtig om doorheen te wandelen. Langs de steile wanden zien we tekenen van steenlawines, die hier met de regelmaat van de klok voor schijnen te komen.

Het eind van het dal

Na twee uurtjes zien we het eind van het dal, waar tot onze verbazing het pad omhoog kruipt over een hoop losse brokken, die van links naar rechts het hele dal verspert. Er komt geen water vandaan, wat nogal vreemd is gezien de grote plekken sneeuw op de hellingen erachter en de gletscher op de Tödi en aangezien we nieuwsgierig zijn klimmen we helemaal naar de top van de brokkenwand. Onderweg ontdekken we afgebroken boomstammen,  stukken geverfd hout, glas en isolatiemateriaal tussen de enorme brokken steen en we realiseren ons dat hier vermoedelijk een zomerverblijf gestaan heeft dat door een steenslag van de overkant compleet vernield is. Jammer, maar niet echt een drama, want meestal gebeurt dit in de winter of de vroege lente, als de alm nog niet bewoond is.

Dubbele brug in het Linthal dat in het verlengde van het Schächental ligt, ons plekje dicht bij de Vierwaldstättersee.
Dubbele brug in het Linthal dat in het verlengde van het Schächental ligt.

Een nieuw stuwmeertje

Ons vermoeden betreffende de achterliggende kom klopt: er ligt een gloednieuw, klein stuwmeertje, waar nog energiek aan gewerkt wordt. Kleine draglines sjouwen tenminste nog druk heen en weer. Op 2100 m moet een hut liggen, maar dat is ons vanwege de huidige hitte toch te ver en te hoog. We zoeken nog wat mineralen langs de kant van de weg, drinken dorstig het meegebrachte water uit onze waterflessen en wandelen dan weer terug. Nu zitten er plotseling tientallen fel oranje vlinders met zwarte stippen met trillende vleugels te zonnen op het warme pad. Als we er voorzichtig langs lopen, vliegen ze op het laatste moment allemaal tegelijk op, zwermen vriendelijk om ons heen en strijken achter onze rug weer terug op het pad neer. Ik heb er nog nooit zoveel tegelijk gezien. De afdaling door de kloof is zwaar en we zijn blij als we de auto bereikt hebben.

Het Brunnital en de prachtige Sittlisalp

Vandaag willen we de omgeving van ons appartement onderzoeken. We gaan dus naar het Brunnital dat haaks op het dorp Unterschächen ligt. Via de nonchalant neergezette verzameling oude, houten woningen die de naam Bielen draagt en waar nog een interessante, pas gerestaureerde oude houtzaagmolen staat, komen we in het smalle dal met aan weerszijden recht oprijzende rotswanden vol holen, gaten en scheuren. Kleine beekjes stromen aan alle kanten naar benden in de Hintere Schächen. De kleine parkeerplaats is nog niet halfvol als we onze auto er neer zetten.

Zelf de lift bestellen

In het houten liftgebouwtje nemen we, zoals op het ernaast hangende briefje staat, de hoorn van de haak, drukken op de één en wachten de instructies van boven af. Een vriendelijke vrouwenstem zegt ons in te stappen en deelt mee dat het rode bakje over vijf minuten opgetrokken wordt. Dat gebeurt ook perfect en er begint een steile opgang naar de Sittlisalp. Boven betalen we vijf franc per persoon. Het is er zo mogelijk nog rustiger dan beneden. We lopen de alm op en volgen het pad naar het uiterste uitzichtpunt van de alm. Onderweg passeren we de

Met een rood bakje als lift voor vier persoenen komen we op de Sittlisalp, die boven het Schächental ligt. Het Schächental is een zijdal van de Vierwaldstättersee.
De Sittlisalp ligt boven het Schächental.

verweerde, houten zomerverblijven van de veehouders, die wonderwel behouden zijn gebleven. Er staan verderop ook gebouwen van latere datum, maar toch allemaal in dezelfde stijl. Op de bank bij het uitzichtpunt met de gebruikelijke Zwitserse vlag eten we onze boterhammen op.

Leuk om te weten

Een oudere vrouw, die daar al met haar twee honden van het uitzicht zat te genieten vertelt ons, dat de meeste huizen nu verhuurd zijn aan toeristen. Zelf komt ze uit Altdorf en ze wijst ons het huisje dat eigendom is van haar en haar man. Ze brengen hier de zomer door, hoewel ze zelf geen grond erbij bezitten. De boeren op de alm hooien in de zomer de alm zelf en drijven de koeien op de hoger gelegen grasgronden, vlak onder de rotsen. Elke morgen gaan ze er heen om te melken.

Vee van diverse families

De koeien zijn vaak van verschillende families beneden, maar worden door enkele boeren van de alm verzorgd, tot ze half september weer naar het dal gaan. We zien enkele delen afgezet met muurtjes van opeengestapelde, losse stenen, waarmee enkele boeren getracht hebben een stukje grasland af te schermen. Ook de graas gedeelten boven onder de rotsen zijn vaak tot onmogelijk steile hoogten afgezet met palen en draad.

Een fantastisch rustig dal op de alm

We volgen een smal voetpad het Griesstal in naar het Seewligrat. Een mooi paadje door velden vol bloemen, waar bijen en andere insecten druk bezig zijn. Het is warm. Een dikke, bruine rups van wel vijf centimeter kruist ons pad. Ondanks haar tegenwerking helpen we haar vriendelijk met een stokje naar een veiliger plaats aan de rand van het pad. Een plotselinge blik naar het dal achter ons doet ons echter bliksemsnel van doel veranderen: er schuiven zwarte wolken over de Ruchen aan de andere kant van het Brunnital.

Onweer in de bergen kan gevaarlijk zijn

We haasten ons terug, want onweer in de bergen kan zeer gevaarlijk zijn, vooral als je nergens kunt schuilen en het Griess is een mooi, maar op een stel geiten na ook een compleet leeg dal, met slechts twee onbewoonde, houten hutten. We komen er dan ook niemand tegen en voelen ons alleen op de wereld. Zoals het er nu uitziet, moet het er al een eeuwigheid liggen. Het hele Brunnital, inclusief Sittlisalp en Brunnialp is trouwens een super rustige plek. Alle stress valt hier van je af. Via een steile afdaling bereiken we de Brunnialm en lopen in flinke pas door het bos naar de auto terug. Beneden vallen slechts enkele druppels, maar achter ons is het toch nogal erg grijs.

Het Maderanertal bezaaid met bergkristal

Het Maderanerthal is een dal, waar je al op de paden diverse bergkristallen kunt vinden. Het dal staat erom bekend. Het is een zijdal van de Vierwaldstättersee en ligt parallel aan het Schächental, maar iets verder naar het zuiden.
Het Maderanerthal is een fantastisch dal. Wie er in de buurt is moet er echt naar toe.

Gepakt en gezakt vertrekken we naar het Maderanertal, genoemd naar de bergheren Madran, die ook het ijzererts in Isental ontgonnen hebben. De ingang van het Maderanertal wordt overspannen door een hoge spoorbrug, waar de Gotthardbaan overheen gaat. De weg langs de rots omhoog het dal in is super smal, met hier en daar een inham of een uitbouw om een tegenligger te kunnen passeren.

Twee tunneltjes

Er liggen twee tunneltjes op scherpe haarspeldbochten en diep beneden ons gromt de beek. Gelukkig komen we er pas boven weer achter, dat ook de bus hier langs komt. We bewonderen de rijkunst van de buschauffeurs hier, want het vergt toch nogal wat durf en rijkunst om de passagiers behouden en wel naar hun bestemming te brengen.

Druk bij de lift

Boven in het dal wordt het breder en bij de lift (alweer zo’n rood bakje voor deze keer zes personen!) parkeren we de auto en gaan in de rij staan. Het is echter warm, 32 graden volgens de weerberichten en een kort rekensommetje leert ons dat we met het aantal mensen vóór ons en de duur van de rit naar boven twee uur in de rij zullen staan voor we aan de beurt zijn. Dat is ons te lang, temeer daar er ook later op de dag onweer voorspeld is. Dan maar de minder toeristische route het dal in. We volgen een steil pad langs de beek omhoog en worden de eerste tien minuten achtervolg door lastige steekvliegen.

Handwerk op de steile hellingen

Een vrolijk fluitende boer keert met zijn machine het hooi op een glooiend stuk grasveld en zijn hele familie kijkt afwachtend toe met de grashark in de hand. Een stuk verderop staat een man op een nog steiler stuk grasland en hooit met de zeis, die blikkert in de zon. Op bepaalde plaatsen is het gewoonweg niet mogelijk om met machines te werken. We bereiken de eerste pleisterplaats en bestellen vier glazen appelsap.

Bergkristallen

Het Maderaner staat bekend om zijn bergkristal, mineralen en glimmerstenen. Overal langs de weg en op pleisterplaatsen zie je dan ook bakjes met mineralen en bergkristallen. De prijzen staan erbij en vaak is er geen mens bij te zien, maar staat er in vol vertrouwen een blikken busje, waar men het geld voor de koop in behoort te doen. We zien prachtige stenen, maar besluiten nog even te wachten met kopen. Maar goed ook, want het bergkristal ligt hier voor het oprapen. Gewoon op en naast het pad vinden we diverse, heldere bergkristallen. De zon helpt daarbij een handje en je hoeft dus alleen maar op te letten of er iets glinstert. Het maakt de wandelweg wat interessanter dan die normaal al geweest zou zijn.

Herstelwerkzaamheden

Halfweg passeren we een stel mensen en machines, die druk bezig zijn om een nieuwe brug te bouwen op een plaats waar kortgeleden blijkbaar een andere vernield is. Het is eventjes baggeren door de modder en over twee losse planken het water oversteken, maar ook dat heeft zijn aantrekkingskracht. Even verder passeren we een rustige alm met oude huizen en schuren, maar ook nieuw materiaal. Dan volgt een moeizame, steile klim omhoog naar het Kurhaus op Balmenegg.

Alweer onweer

Boven aangekomen blijft ons echter geen tijd meer om wat te drinken, want ook hier komen dreigende, zwarte wolken over de bergen kijken. We nemen daarom meteen maar de weg terug en merken dat ook anderen de donkere lucht gezien hebben. Vlak voor het eind van het dal haalt ons een kleine bui in, maar lang duurt het niet. We hebben echter geen spijt van onze haastige terugtocht, want achter ons zit het dal al dicht en je kunt immers nooit weten of het erg slecht wordt en inmiddels is het toch al vijf uur geworden. We moeten nog naar huis rijden en eten maken. Laat genoeg dus.

Rustdag aan de Urnersee

De nieuwe dag begint met een staalblauwe lucht, hoewel de voorspellingen in de namiddag een weeromslag geven. We maken er daarom vandaag maar een rustige dag van. Best prettig na de lange en vermoeiende wandeling in het Maderanertal. We rijden dus naar de Urnersee, want in deze anderhalve week hebben we ervaren, dat daar de laatste zonnige plekken zijn als de lucht aan alle kanten boven de bergen al betrokken is. Onderweg zien we al links en rechts wolken verschijnen. Jammer, maar niets aan te doen.

Geen plaats voor dagjesmensen

We stoppen in het dorpje Sissikon om daar de eendjes te voeren met wat oud brood, maar hoe we ook zoeken, er is geen vrije parkeerplaats dicht bij het meer te vinden. Alle parkeerplaatsen zijn bestemd voor bewoners van de camping, bootbezitters en bezoekers van de diverse hotels en restaurants. Zoveel afwijzing maakt ons dwars en we vertrekken naar Brunnen, waar we de auto vlak bij de oude haven kunnen parkeren.

Een oude pier

Ons brood wordt door de daar alom aanwezige mussen met liefde ontvangen en wij lopen tegelijk maar even de oude, van natuurstenen gebouwde pier op, die al lang niet meer als zodanig in gebruik is. Tussen de kapotte, geasfalteerde bovenlaag groeien paardenbloemen, struiken en zelfs een hele boom. De bewolking rondom trekt langzaam meer naar het midden, maar wij zitten daadwerkelijk nog altijd in de zon. We eten ons brood op een bankje en stappen dan in de auto om een rondrit binnen het nog zonovergoten gebied te maken.

Naar Ingenbohl

We rijden naar Ingenbohl, dat vlak achter Brunnen ligt en tot onze verbazing een echt stadse indruk maakt, hoe klein het ook is. Hoog tegen de bergwand ligt een enorm zustersklooster, zo groot als ik er zelden een gezien heb. Via een onmogelijk lange trap kan men er door het grasveld naar toe klimmen of anders het lange, glooiende voetpad aan de zijkant nemen. Boven de ingang hangt een levensgroot kruis. We zien verschillende zusters lopen, dus het is nog steeds in gebruik.

Een mooie kerk

Vlak bij ligt de mooie, grote kerk van Ingenbohl op een heuveltje. We beklimmen de trappen en gaan de met houtsnijwerk versierde deuren binnen. Iemand speelt op het orgel. De kerk is prachtig beschilderd en heeft een oude doopvont uit de 17e eeuw. De achterste banken hebben houtsnijwerk uit het jaar 1788. Dat jaartal staat er tenminste op. De hele kerk glimt overigens als een spiegel en ik herinner me de tijd, dat ook bij ons thuis nog de zusters uit de parochie de kerk verzorgden. Het ziet er hier even glanzend uit als de kerk van onze eigen parochie in mijn herinnering. Zelfs de geur is herkenbaar.

Ook hier poetsen de zusters dus vermoedelijk nog de kerk

Het zeldzaam mooi gesmede, ijzeren slot van de deuren is oud. Buiten willen we nog een bezoek brengen aan het mortuarium, dat er, zoals hier gewoonlijk is, als een minikerkje uitziet, maar er is blijkbaar een begrafenis in voorbereiding, (vandaar dus het orgelspel in de kerk!) dus we dalen af naar het bijbehorende, prachtig verzorgde kerkhof met de enorme overdaad aan bloemen.

Het oude stadhuis

We rijden het dorpje door en zien verscheidene oude huizen inclusief een prachtig gebouw met een ingepakt torentje en blijkbaar gerestaureerd wordt. Het is vermoedelijk het oude stadhuis van Ingenbohl geweest. De lucht trekt nu steeds meer dicht. Boven de bergen verschijnen de eerste zwarte onweerswolken. Er is echter nog steeds een plek blauwe lucht boven het meer. We rijden daarom langs het meer terug naar Schifferen Egg, een niet aangegeven, maar leuke, kleine parkeerplaats vlak achter een van de

Wilde clematis bloeit op de oevers van de Vierwaldstättersee.
Wilde clematis bloeit op de oevers van de Vierwaldstättersee.

tunnels, waar de zon schijnt en we vlak aan het water kunnen komen. Tot onze verbazing bloeien er achter ons tegen de steile rots ontelbare paarse

Vuurwerk vanwege de Zwitserse nationale feestdag

’s Avonds gaan we ondanks de mist en het natte weer nog even naar Flüelen, want in verband met de nationale, Zwitserse feestdag van 1 augustus is er vanavond vuurwerk op de Vierwaldstättersee. Dat moeten we zien. Onze gastvrouw verzekert ons dat het vuurwerk ook bij regen meestal gewoon doorgang vindt. De Zwitsers zijn blijkbaar niet benauwd voor wat nattigheid! Het regent als we in Flüelen aankomen, maar overal in het dorp is het gezellig druk. De meeste restaurants hebben hun terras met tenten overdekt en zitten al aardig vol. Hier en daar klinkt muziek.

We voelen ons er meteen thuis

We gaan het tunneltje onder de hoofdweg en het spoor door en stationeren ons op de trappen bij de haven. Het regent steeds harder, maar iedereen steekt gewoon de paraplu omhoog en blijft gewoon staan. Er klinkt gepraat en gelach. De sfeer is gemoedelijk en gezellig. Hier en daar worden in het dorp al vuurwerk en vuurpijlen afgestoken. Prompt om halfelf zet men ook de twee verlichte kerken in het donker en er begint, ondanks de gestaag vallende regen, een enorm, prachtig en doorlopend vuurwerk vanaf een schip midden op het meer.

Vuurwerk aan de Vierwaldstättersee

Het licht weerkaatst rood, groen, geel en wit op het water en de bergen weerkaatsen de donderslagen. Fantastisch! We hebben zelden een dergelijk mooi vuurwerk gezien. Voldaan wandelen we om elf uur door de gezellige stad naar de auto, want met dit regenweer durven we het niet al te laat te maken. We moeten immers het hele dal nog door. Al bij Spiringen ligt de regenwolk op het wegdek: mist dus. Langzaam rijden is geboden, want het zicht is hoogstens 20 meter. We bereiken echter veilig ons in het aardedonker gehulde huis en sluipen op kousenvoeten naar boven, want onze gastfamilie slaapt al.

Altdorf en Fluelen.

De zon schijnt als we opstaan, maar ook voor vandaag zijn de voorspellingen niet zo best. Vlak achter ons wordt door de buurkinderen al fiks gewerkt met gillende keukenmeiden en ander knalvuurwerk. Vanwege de nationale feestdag natuurlijk. We gaan vandaag naar Altdorf, waar in verband met de huidige feestdag een uitgebreide, gezellige markt moet zijn. Klopt! De kern van het stadje is afgezet met een stel grote feesttenten en daartussen staat het vol kramen en kraampjes. De meeste kraampjes verkopen etenswaren als pizza, koeken, snoep, suikerspinnen en streekgebonden lekkernijen, maar daartussen liggen ook terrasjes van de verschillende restaurants en eethuisjes langs de route die hun gasten met complete maaltijden bedienen.

Leuke kraampjes op de gezellige markt

Het eten voert de boventoon, maar we zien ook kramen met snuisterijen, Zwitserse vlaggen van alle kantons, kleding en rode T-shirts met een wit kruis erop die gretig aftrek vinden. Tegen de bergwand heeft de jeugdbeweging een stellage opgericht waar een jongen van ongeveer dertien jaar, beveiligd met bergtouwen, krat na krat op elkaar stapelt en zo langzaamaan naar boven klimt. Bij de achttiende krat begint de toren onder hem echter naar een kant over te hellen en onder luid geroep van de omstanders verliest hij het evenwicht, pakt snel het touw beet en zakt langzaam naar beneden, terwijl de toren onder hem in elkaar breekt. Er wordt stevig geklapt. Hij heeft het applaus verdiend!

Schepen met vlaggetjes

We laten Altdorf achter ons, want vanwege de gevraagde prijzen voor eten en drinken, nemen we ons meegebrachte brood maar weer voor lief. We rijden door naar Flüelen aan de Vierwaldstätter See om daar bij de haven te eten. Een stel mussen houden ons daarbij geïnteresseerd gezelschap. De stoomboot verlaat net de haven, opgetuigd met vlaggetjes van alle kantons, evenals de zeilboten in de haven. Leuk om te zien. Van de oude kerk hangt ook de vlag van Uri te wapperen, terwijl aan de lantaarnpalen, net als in Altdorf, ook de vaandels van het dorp, het kanton Uri en Zwitserland wapperen. Omdat het begint te regenen bezichtigen we de oude kerk aan de haven die na een overstroming op het laatste nippertje van de sloop gered en opnieuw gerestaureerd is.

Een museum van bergkristallen

Ze is echter niet meer in gebruik als kerk, daar er een nieuwe kerk op een hoger gelegen plaats gebouwd is. Jammer, maar de kerk is wel fantastisch hersteld en er is in de sacristie en de daarboven gelegen ruimte een prachtige tentoonstelling van mineralen en bergkristallen van over de hele wereld te zien, die ons de teleurstelling al snel doet vergeten. We hebben nog nooit zoveel mooie, verschillende kristallen en mineralen bij elkaar gezien. Alles is genummerd en in bijbehorende boeken staan naast de nummers de namen van de verschillende mineralen en kristallen vermeld. Buiten is het inmiddels overal grijs. We willen nog even naar het kerkje van Seedorf, dat een van de oudste parochiekerken van Uri moet zijn. Op de parkeerplaats er tegenover vinden we de laatste rest van een toren van een vroegere burcht.

Naar Attenburg

We rijden in dichte regen toch nog even naar Attenburg, waar de in de 15e eeuw verlaten ruïne van de heren van het dorp op een heuvel ligt. Ook het kerkje is een tweede blik waard en herbergt schatten van streekkunst. De schilderingen aan het plafond zijn prachtig! In Erstveld maken we nog een foto van “de krokodil”, een groene en bij treinfanaten zeer bekende, oude locomotief.

De krokodil is de naam van een oude locomotief die gestationeerd is in Altdorf, ten zuiden van de Vierwaldstättersee.
De “krokodil” is de naam van een oude locomotief.

Dan rijden we naar huis, want het weer werkt niet erg mee. Thuis trekt het wat op en we verbazen ons erover dat de voorraad vuurwerk van de jeugd in het huis achter ons nog steeds niet op is. Er komt geen eind aan. Het knalt en knettert aan de lopende band! De grootste verrassing komt echter bij zonsondergang.

Vuurwerk van alle kanten

Om kwart over negen begint een vuurwerk dat zijn weerga niet kent. Niet alleen wordt er in Unterschächen vuurwerk afgestoken, maar de hele streek rond de  Vierwaldstätter See doet mee. Overal vandaan ziet men vuurpijlen, fonteinen en hoort men knallers. Van boven de verschillende bergen zien we rode, witte en groene licht schitteringen. Omdat het dorp juist haaks op het Brunnital ligt, krijgt elke fikse knal na drie seconden een enorme echo van de achterliggende kalkwand terug. Het rommelt alsof het onweert.

Ook de achterburen doen mee

De achterburen hebben schijnbaar nog niet al hun kruit verschoten en ook daar vandaan klinkt de ene knal na de andere, met alle gerommel van dien. Uit de richting van Spiringen lichten óók de bergen op. Plotseling lijkt alles tegelijk te gaan. Het is één groot feest van licht en geluid. Dan wordt het langzaam minder. Onze gastvrouw vertelt ons dat het nog wel tot 12 uur bezig kan blijven, maar het is nogal fris en we gaan naar binnen.

Het dal van Göschenen

Omdat het weer is opgeklaard willen we vandaag naar het dal van Göschenen dat, van ons uit gezien, aan de bovenkant van de  Vierwaldstätter See ligt. Het ligt nogal een eindje uit de buurt, vlak voor de Gotthardpas. Aan de ingang van het dal ligt het dorp Göschenen, maar we besluiten eerst het dal te bezichtigen en daarna het dorp. Het dal is woest en wild, met steile hellingen, los gesteente en kantige bergtoppen. Aan het eind van het dal kruipt de weg in serpentines omhoog naar de groene, aarden wal van de stuwdam. Vlak voordat we de dam echter bereiken komen we langs het gehucht Gwüest, waar een gedeelte van de vroegere bewoners van de Göschener alp wonen, de plaats waar nu het stuwmeer ligt. We parkeren de auto en beklimmen het pad rechts omhoog over oude, gladde gletsjertongen en tussen ontelbare wilde bloemen en planten.

Zwarte alpensalamanders

Zwarte Alpensalamanders schieten geschrokken links en rechts weg van het pad. Als we ruim boven het niveau van de aarden wal zijn nemen we het pad, dat hoog langs het meer loopt. Dat valt tegen. De zware regenbuien van de laatste paar dagen hebben het pad zo doorweekt dat er hier en daar bijna geen doorkomen aan is. Een grote poel met koeienflaters en modder geeft ons de genadeslag. We ploeteren een stukje terug en eten op een paar dikke stenen onze boterhammen uit met een prachtig uitzicht op de Dämmagletsjer aan de overkant van het meer. Terug beneden lopen we over de dam naar de overkant van het dal.

Zweefvliegtuig

Midden op de dam staat een man met een afstandsbediening zijn zweefvliegtuig te besturen, daarbij handig gebruik makend van de opwaartse thermiek aan de dalkant van de dam. Hij geeft vriendelijk uitleg op onze geïnteresseerde vragen. Het vliegtuigje heeft blijkbaar een haak aan de onderkant, zodat het niet naar beneden kan glijden, als het per ongeluk tegen de damwand vliegt. Aan het eind van de dam hebben we een fantastisch uitzicht op het achterste gedeelte van het meer en een andere gletsjer die tot beneden reikt. Fantastisch! Op de terugweg stoppen we nog even bij een brede plaats aan de beek om naar mineralen te zoeken, maar tot onze teleurstelling vinden we niets bijzonders.

Het dorp Göschenen

Het dorp is interessanter dan de beek. We bezoeken de grote kerk op de heuvel, waarvan we de natuursteen herkennen als dezelfde, die we ook overal achter in het dal gevonden hebben: grijs met zwarte stippels erin. Ook het oude kerkje bekijken we, maar jammer genoeg alleen van buiten, want het is op slot en volgens ons niet meer in gebruik. We maken nog een ronde door het dorpje, hangen even over de rand van de brug in de diepte van de

Gems bij avond in de buurt van de Vierwaldstättersee.
Gems bij avond

kolkende beek te kijken en rijden dan tevreden naar huis. ‘s Avonds zien we vanaf ons balkon de bergen rood oplichten in de ondergaande zon en als we door onze verrekijker de bergen recht tegenover ons afzoeken, ontdekken we tot onze verrassing gemzen vlak onder de top. Onze dag is weer goed.

Äsch

De zon schijnt alweer! We vertrekken naar Äsch, een gehuchtje achter in ons eigen dal. De weg erheen voert over een oud voetpad dat vroeger de gebruikelijke, maar moeizame doorgang naar de Klausenpas was. We passeren eerst het kleine gehucht Schwänden. Daarna voert het pad langs de beek. Aan de rechterkant van het pad liggen oude koelhuisjes in een greppel diep in de grond gebed. Volgens onze informatie hield men daar vroeger de melk koel op een dikke laag gletsjer ijs. Het dak van een dergelijk koelhuisje reikt van de bosgrond tot aan het pad, terwijl aan de zijkant een minideur van ongeveer een meter hoog toegang biedt. We hebben nog nooit een dergelijk bouwsel gezien,  maar het is wel leuk om zoiets te ontdekken.

Iedereen stookt hier op hout

Er liggen nogal wat stapels gekapt hout langs het pad. Veel boeren dunnen het bos milieuvriendelijk uit, om hun wintervoorraad aan te vullen. Bijna iedereen stookt hier in de winter op hout. Het pad stijgt steeds meer, maar na een uurtje bereiken we toch Äsch  op de zonovergoten alp.

Äsch is een plaatje

De losse verzameling houten huizen, inclusief een oud, gerestaureerd en uitgebreid kapelletje en zelfs een Feriënhaus, dat vroeger ooit een Kurhaus geweest moet zijn, staan decoratief te pronken voor een enorme waterval, de Stäubibachfall van ruim 100 meter hoog, die aan de steile achterwand van het dal naar beneden dondert en een deel van de rotswand in een wolk van glinsterende waterdruppels hult. Kinderen spelen bij de huizen; de was hangt buiten en de lucht is vol van het geluid van koeienbellen. We lopen wat rond, kijken in de beek, zonnen wat op het bankje en genieten van de eindeloze, eenvoudige rust en vragen ons af, waar we ons in Nederland in ‘s hemelsnaam druk om maken!

Een heel aparte lift

Op de terugweg lopen we even het lifthuisje binnen, dat vlak bij Äsch staat en waar niemand aanwezig is. De lift bestaat uit een groen bakje met drie zitplaatsen en achterin een laadbak voor goederen. Het bakje is overdekt met een kunststof plaat, maar aan de zijkanten is het open. Via de telefoon kunnen we vragen wat een lift heen en weer naar de alp Wannelen kost. Dat blijkt toch zes franc per persoon te zijn en aangezien we met ons vieren zijn en één van ons niet erg veel vertrouwen heeft in het gammele ding, nemen we toch maar de weg terug naar Unterschächen, temeer daar nu toch echt donkere bewolking komt opzetten vanaf de Vierwaldstättersee en we bovendien nog een flink lijstje boodschappen hebben voor ons avondeten.

Twee reeën over het pad

Een stukje verder horen we plotseling wat geruis aan de linkerkant, juist als we achter wat struikgewas uit komen op een open plek en we zien nog net twee reeën wegvluchten het lage groen in. Dan is het weer muisstil. We blijven nog even staan, maar we zien ze niet meer. Waarschijnlijk staan ze ons vanuit het groen net zo gespannen te bekijken, als wij dat vanaf het pad met hen doen. Jammer! Na het avondeten zitten we op het balkon en zien de wolken langzaam beneden ons langs trekken. Ook vanachter uit het dal kruipen er grote plukken watten langs de bergen omhoog. Alsof de wereld kookt! Mooi om te zien, als je zoals wij halfweg tegen een berg opgeplakt zit.

Een heel korte H. Mis

We bezoeken om half acht het mooie kerkje van Unterschächen, waar de Duitse pastoor bij wijze van spreken “met de fiets door de mis vliegt”. Na vierentwintig minuten staan we alweer buiten. Wat een snelheid! Na de koffie laat de tv het midden in een film afweten. We doen de balkondeur open om naar de satellietschotel te kijken, maar een enorm gekletter weerhoudt ons; het onweert en het regent pijpenstelen. Zo hard als ik het in Nederland nog maar zelden gezien heb. Even later mindert het en de schotel doet zijn werk weer. We kunnen de film gelukkig ten einde kijken.

Regenboog na onweer boven het Schächental, een zijdal van de Vierwaldstättersee..
Regenboog na onweer boven het Schächental.

Afscheid nemen

Vandaag is het onze laatste dag. Jammer. We rijden nog eens naar de Vierwaldstätter See, want het is overal al redelijk bewolkt, behalve daar. In Bürglen maken we foto’s van het standbeeld van Wilhelm Tell die hier volgens de overlevering gewoond moet hebben en ook hier in de beek (de Schächen!) verdronken zou zijn bij de redding van een kind. We fotograferen ook het prachtige hotel er tegenover dat in oud-Zwitserse stijl is opgetrokken en prachtig begroeid is met klimop.

Het “Türmli”

Dan bezoeken we Altdorf nog een keer om ook daar een foto te maken van het “Türmli” (het beschilderde torentje) en het grote standbeeld van Wilhelm Tell, die op deze plaats bevel kreeg om de appel op het hoofd van zijn zoon te doorboren. Daarna rijden we door naar een pleisterplaats vlak voor Isleten, waar we onze boterhammen opeten en wat blijven zitten tot de laatste zonnestralen door wolken gehinderd worden. We warmen ons aan de zon en bekijken het levendige spel op de  Vierwaldstätter See van surfers, zeilers, motorboten en vissers.

Niet ongevaarlijk bij dit weer

Een surfend meisje, midden op het meer, heeft onze aandacht. Ze ligt om de haverklap in het water en steeds als ze eindelijk weer op de plank staat en haar zeil omhooggetrokken heeft valt het weer om en verliest ze haar evenwicht. We volgen het gevecht met onze verrekijker. Eindelijk lukt het haar en na nog een paar keer vallen en opstaan zien we haar gelukkig toch de kust van Flüelen bereiken. Vlak bij ons maakt een stel surfers zich klaar, maar ze hebben er meer dan een uur voor nodig en als ze eindelijk klaar zijn is de wind gaan liggen en trekken ze hun kleren maar weer over hun surfpakken aan.

Alweer regen

De laatste blauwe plek aan de hemel is dichtgetrokken en het begint te druppelen. We stappen in de auto, want we hebben eigenlijk nog maar één ding op het programma staan: de kerk van Schattdorf, net achter Altdorf. De kerk ligt op een hoogte en is vanaf de autoweg, maar ook vanaf andere wegen goed te zien. Het bezoek loont zich! Het blijkt een prachtige, rijk versierde, barokke bedevaartkerk te zijn. We kijken er aandachtig en met plezier rond. Ook het orgel is een prachtstuk. Buiten op het kerkhof vinden we nog een Piéta, door een kunstbeeldhouwer gemaakt na de dood van zijn ouders. Nu regent het inmiddels pijpenstelen en we vertrekken naar huis om alvast in te pakken.

Een prachtige rit richting Frankrijk

Na nog een laatste, oplettende blik door ons schoongemaakte appartement nemen we afscheid van onze hartelijke gastvrouw, die we nog een doosje bonbons en een (voor haar onbekende) rol drop voor de kinderen geven.Dan  beginnen we opgewekt aan nog een stukje echt avontuur. We hebben wat vakantiedagen over en willen van hieruit op de bonnefooi naar Frankrijk en van daaruit naar huis. Voor dit laatste stuk hebben we echter niets geboekt. We nemen de vrij nieuwe Seelisbergtunnel en rijden beneden langs de Vierwaldstätter See en de Alpnacher See naar Sarnen. Het landschap valt ons wat tegen. Blijkbaar hebben we toch echt het mooiste stuk rond de Vierwaldstätter See uitgezocht om er twee weken vakantie te houden. De Sarner See maakt echter veel goed en ook de Lungerner See is een plaatje. Via de Brünigpas bereiken we de Brienzer See.

Fantastisch weer

Het is fantastisch weer om te reizen: zonnig, maar niet te warm. Hier en daar wordt even gestopt om een foto te maken, maar niet te lang, want we hebben nog veel voor de boeg. Bij Interlaken slaan we linksaf, het Lauterbrunnental in, waarbij we al meteen een prachtig uitzicht op de imposante berg “de Jungfrau” hebben. Het dal splitst zich na een aantal kilometers in twee delen. We hebben echter weinig tijd en dus laten we het Lütschental met Grindelwald links liggen. Al gauw bereiken we Lauterbrunnen, waar we een sanitaire stop maken en foto’s kunnen maken van de vermaarde Staubbachfall. Vervolgens rijden we naar het eind van het dal, waar een grote, niet erg goed gevulde parkeerplaats ons doet vermoeden dat de daar aanwezige kabelbaan naar boven een duur grapje is.

Staubbachfall in Lauterbrunnenthal die we na onze vakantie aan de Vierwaldstättersee mochten bewonderen
Staubbachfall in Lauterbrunnenthal

Dan maar geen gondel

Dat klopt. Bij navraag blijkt een kaartje 90 francs (E 54,-) per persoon kost. We zien een volgepakte gondel met minstens 20 mensen dicht op elkaar gepakt naar boven gaan en draaien ons eensgezind om. Daar zien we geen heil in, temeer omdat er al een fikse rij te wachten staat. Zonde van onze tijd! We eten een stukje terug lekker in de schaduw van een grote boom onze boterhammen op en rijden, na een laatste foto, het prachtige dal weer uit. We steken de weg over en stappen uit voor het Victoriahotel in Interlaken, de stad die zoals de naam al  zegt “tussen twee meren” ligt. Op het grote grasveld landen een paar parasailers die elk een passagier bij zich hebben. In Interlaken staan prachtige gebouwen, grote, imponerende hotels en de mondaine winkelstraten zijn gevuld met grote namen als Gucchi, Rolex, Breitling, Cartier, Dior, e.d.

De beroemde Jungfrau

De Jungfrau is echter ook hier overduidelijk aanwezig. Vanuit verschillende punten zie je de dominerende berg liggen Prachtig! We kijken onze ogen uit, maar bezoeken ook even het kasteel en de twee ernaast liggende kerken aan de rand van de stad. Dat valt wat tegen. Het kasteel doet dienst als rijkskantoorgebouw en de kerken blijken van binnen niet half, wat ze aan de buitenkant beloven. Er komen intussen wat wolken opzetten en we rijden via de Thuner See naar Spiez, waar we het Niedersimmental inslaan. Dat is echt een aanrader. Een mooi, groen dal met glooiende hellingen, waarboven steile, kantige rotspunten oprijzen.

Het mooie Simmen dal

Langs de Simme ontdekken we overal verdekt opgestelde, houten bruggetjes die naar verscholen huizen en verborgen, mooie plekjes in het groen aan de andere kant van de beek voeren. In Zweisimmen slaan we wat proviand in en vervolgen onze weg naar Saanen, waar we linksaf slaan, richting Coll du Pillon. De lucht trekt op en de zon komt gelukkig weer tevoorschijn. We zien aan de linkerkant de overgang naar de Sanetschpas, waar we tien jaar geleden boven op stonden en dit dal konden inkijken, toen we in Veysonnaz logeerden, aan de andere kant van deze bergrug in Wallis dus. Grappig!

De gletsjers van Les Diablerets

Links worden de bergen steeds hoger. We bewonderen de gletsjers van Les Diablerets, maar daarna is het ook afgelopen. Er begint een lange afdaling naar Aigle in het Rhonedal. We steken het Rhonedal recht over en slaan aan de overkant rechtsaf naar het meer van Genève. Al die tijd irriteert ons het uitzicht op de lelijke elektriciteitscentrale hoog tegen de berg bij Vionnaz, die het hele dal domineert. Hoe iemand zoiets kan plannen! Het meer van Genève ligt er echter prachtig bij in de avondzon. We maken een korte stop en besluiten na een blik op de kaart om door te rijden tot Lugrin, achter de Franse grens. Daar willen we de heuvels in rijden en een plaatsje voor de nacht zoeken.

Een bijzondere slaapplaats

We vinden een leuk hotelletje in Thollon, waar we een grote vierpersoonskamer inclusief bad en toilet huren vlak onder het dak. Niet duur, met slechts een enkel groot raam en via een eng liftje of via vier trappen te bereiken. We eten wat stokbrood met ei en tomaat en wat yoghurt en zijn blij dat we onderdak hebben gevonden. Vanuit het raam kunnen we het meer van Genève zien en de zonsondergang is fantastisch.

Brandveiligheid van oude hotels

Als ik in bed lig vraag ik me toch vanwege de asbak op mijn nachtkastje af, hoe het hier met de brandveiligheid gesteld is. Misschien wat laat, maar de vermoeidheid speelde ons parten. Als ik daar de volgende morgen mijn medereizigers naar vraag, begint er een te lachen. Er blijkt een kaartje boven de lichtknop op de kamer te hangen met de volgende instructies:

“Bij brand niet via de lift, maar via de trap naar beneden vluchten. Is dat niet mogelijk, dan terug naar de kamer gaan. De deur op slot doen, voor het raam gaan staan en op de brandweer wachten.”

Goed, dat ik dat ’s avonds niet gezien heb! Ik had geen oog dicht gedaan.

Genève

Als we beneden komen, zitten er al gasten aan tafel. Iedereen groet vriendelijk en de sfeer is gemoedelijk. Het ontbijt is apart, maar leuk en lekker. We hadden niet al te veel verwacht, maar de tafels zijn gedekt met koffiekoppen en een servet, dat als bord moet dienen. Er komt een flinke mand met schijven vers stokbrood en heerlijke, zoete brioche op tafel. Er is roomboter bij, jam, jus d’orange, thee en koffie, die zo sterk is dat je de lepel er bijna rechtop in kan zetten. We hebben de kan melk dan ook hard nodig, maar het smaakt allemaal voortreffelijk. Als we de oudere vrouw die bedient een compliment over de lekkere brioche maken, haalt ze prompt een tweede mandje voor ons.

Op weg naar de stad

Gesterkt gaan we op weg naar Genève. We hadden eigenlijk nog wat naar beneden willen zakken, maar het weer wordt steeds slechter en achter Evian begint het al te regenen. Eigenlijk hoeven we pas op de avond van de achtste thuis te zijn, maar dat hangt van het weer af. In elk geval willen we nog een paar grote steden zien. Als eerste daarvan rijden we Genève binnen.

Genève is een doolhof

Aan de rand van de stad staan richtingaanwijzers naar het centrum, maar hoe verder we de stad binnendringen, des te minder aanwijzingen zijn er te vinden. Genève heeft overvolle parkeergarages, een informatiecentrum dat pas na een rondgang langs misleidende borden te vinden is en een parkeerplaats voor slechts een half uur. Een moeilijk te vinden tankstation zorgt ervoor dat we na anderhalf uur ontgoocheld de stad de rug toe keren.

Via Lausanne, Fribourg en Schmitten toch maar richting Duitsland

Dan maar op naar Lausanne. Ook daar is het echter een rommeltje en ook daar regent het. We hebben slechts een dag te spenderen, dus laten we Lausanne voor wat het is en rijden langs het meer tot Vevey. Daar willen we linksaf slaan, richting Fribourg. In Friburg is het centrum beter te vinden. Intussen is het al zes uur ’s avonds en langzaamaan willen we wel een plaatsje vinden voor de nacht. We eten een heerlijke schnitzel in de stationsrestauratie en een vriendelijke dame verwijst ons naar een leuk hotelletje in Mariahilf, een paar kilometer verder. Opgelucht vertrekken we.

Friburg is apart

We komen langs het prachtige centrum van Fribourg, dat op een hoge rotswand gebouwd is. We willen er eigenlijk foto’s van nemen, maar omdat het nu hoog tijd wordt, willen we eerst het hotel geregeld hebben. Morgen komen we dan wel terug. Met de onderhand spreekwoordelijke pech van die dag blijkt echter het plaatselijke hotel wegens vakantie gesloten te zijn. Goede raad is duur. We rijden nog een paar dorpen verder, maar vinden geen betaalbare hotels meer, terwijl we tot onze teleurstelling steeds verder van Fribourg af raken.

Schmitten

In Schmitten proberen we het uiteindelijk nog eens bij een redelijk goed uitziend hotel. Als we echter de prijs voor een nacht horen, zijn we meteen genezen. We besluiten ten einde raad dan maar tot over de grens met Duitsland te rijden en daar in de auto te slapen, want voor vier personen wordt dat een beetje te duur. Achter Basel nemen we vastbesloten de eerste Raststätte. We parkeren de auto vrij dicht bij het gebouw en installeren ons in de ruime Omega zo goed als mogelijk is. Links en rechts van ons gebeurt klaarblijkelijk hetzelfde. Dit doen dus meer toeristen! Met een apart gevoel van “dit hebben we nog nooit gedaan” en met het rustgevende geroffel van de regen op het dak slapen we wonder boven wonder in.

Noodweer in heel Europa

Rond zeven uur worden we redelijk uitgerust wakker. Het regent nog steeds. Overal om ons heen kruipen mensen uit de auto, gapen, rekken zich uit en staan te eten of te drinken. Snakkend naar een bad frissen we ons binnen wat op, drinken wat en luisteren dan naar de weerberichten.

Overal is het slecht weer

Het blijkt overal in Zwitserland, Zuid-Frankrijk, Oostenrijk en Zuid-Duitsland slecht weer te geven, niet alleen vandaag, maar ook de vooruitzichten zijn niet denderend. Regen, regen en nog eens regen. Salzburg blijkt zelfs al blank te staan. We besluiten om dan vandaag maar meteen door naar huis te rijden. Eerst moeten we echter even van de autoweg af om een bakker te zoeken, zodat we onze honger kunnen stillen. Dat lukt in Herbolzheim, waar de bakkerij al van halfzes open blijkt te zijn.

Lekkere croissants

Daar vinden we heerlijke, verse croissants en lekkere, harde broodjes. Beleg hebben we zelf nog genoeg! We zoeken een rustige plaats om te eten, maar vanwege de regen moeten we dat wel in de auto doen. Het weer wordt steeds slechter. Het regent pijpenstelen en zelfs de radiopresentatoren zijn er melig van. We besluiten om dan maar regelrecht naar huis te rijden. Achter Karlsruhe rijden we echter plotseling onder de buien uit en klaart het langzaam op. We worden er weer helemaal vrolijk van en hebben meteen geen haast meer om thuis te komen.

Neckargemünd

Bij Heidelberg volgen we de richting Neckargemünd, waar we uitstappen

Moedereend met jongen aan de oever van de Neckar op onze terugreis van onze vakantie aan de Vierwaldstättersee.
Moedereend met jongen aan de Neckar

en het leuke, historische centrum bekijken. Aan de waterkant zit een moedereend met haar vier kleine jongen te zonnen op de warme stenen. Ook wij genieten van de zonnestralen, na het enorm slechte weer van de laatste anderhalve dag. Neckargemünd is echter maar klein en mede omdat de zon na een uurtje toch weer achter de wolken verdwijnt stappen we in de auto en rijden terug de snelweg op.

Worms

Het weer verbetert echter snel en na een poosje slaan we af naar Worms. De stad heeft een prachtige, oude Dom, maar blijkbaar is dat ook het enige echt historische onderdeel van Worms. Deze stad is in de oorlog voor een groot deel platgebombardeerd en daarna opnieuw opgebouwd.

De dom van Worms die we op onze terugreis van de vakantie aan de Vierwaldstättersee hebben bezichtigd.
De dom van Worms

De geschiedenis van de Dom van Worms

De historie van de Dom gaat terug tot een klein gebouw in Romaanse stijl uit de vroege middeleeuwen. Daarna werd er regelmatig iets bijgebouwd, tot de huidige vorm ontstond. Het geheel is het bezichtigen meer dan waard. In de crypte van de Dom liggen grafstenen met jaartallen tot in de tiende eeuw. Naast de Dom ligt nog een aardig parkje, waar oorspronkelijk de in Romaanse stijl gebouwde troonzaal van de Duitse keizers stond.

Martin Luther

Hier ligt ook o.a. een steen op de plaats waar Martin Luther zich tegenover de Duitse keizer moest verantwoorden voor zijn uitspraken. Tegen de oude muur van datzelfde parkje staat een prachtige fontein uit vroegere tijden. Ze is bemost, maar niettemin met een romantische inslag en een goed doordachte opzet. We rijden terug naar de autoweg, maar bij Alzey gaan we er weer vanaf, want ook daar willen we even wat rond kijken.

Alzey

Alzey heeft tot onze verrassing een mooi gerestaureerd kasteel, dat momenteel door ambtelijke instellingen wordt gebruikt. In één van de torens bevindt zich ook nog een aardig Burchtmuseum. Het leuke centrum van Alzey is het bezichtigen meer dan waard met al zijn aardige vakwerkhuisjes, gezellige winkeltjes en terrasjes. We eten op een bankje onder een dikke boom een lekker kaas-uienbroodje. Dan haasten we ons naar de auto, want er dreigt alweer een onweersbui.

Maria Laach

Deze laatste dag willen we echter in zijn geheel benutten. Omdat het nog vroeg is, gaan we bij Maria Laach voor het laatst van de autoweg af. We zijn er al vaker langs gereden en hebben ons altijd al afgevraagd wat er achter die naam ligt. We ontdekken een mooi meertje in een natuurgebied, een prachtig kloostercomplex en een chique hotel. Het kloostercomplex wordt bewoond en geëxploiteerd door de Benedictijner monniken. Ze zijn juist bezig aan hun dagelijkse gezangen, als we de kerk binnen komen. We gaan op de trappen zitten luisteren naar de nog van vroeger bekende geluiden voor de ouderen onder ons. Om zes uur is alles afgelopen, maar meteen is ook alles dicht. De parkeerplaats is al bijna leeg als wij bij onze auto aankomen.

Een vreemd, donker dorpje

We hebben honger gekregen en willen aan de overkant van de grote weg in het dorpje Berg een hapje gaan eten. Het dorpje doet een beetje naargeestig aan. Het heeft veel zwarte huizen die zijn gebouwd met zwarte lavastenen, die hier in de streek gevonden worden. De Eifel is immers een vulkanisch gebied en lavastenen zijn hier massaal gebruikt om huizen te bouwen. Het restaurantje is gesloten. We steken dan maar weer de weg over om het aan de andere kant in “Gasthaus Laacher Mühle” te proberen.

Een heerlijke schnitzel

Daar krijgen we tot onze verrassing voor weinig geld een heerlijke schnitzel met frietjes, terwijl we aan de saladebar onze groenten zelf kunnen uitzoeken. Verzadigd gaan we na een uurtje weer op weg en tegen negen uur komen we moe, maar voldaan thuis. We hebben, alles bij elkaar, een fantastische vakantie gehad en kunnen er weer voor een tijdje tegen.

Conclusie:

We hadden deze keer pech met het weer! Alle andere vakanties die wij in Zwitserland hebben doorgebracht waren over het algemeen zonnig en warm. Goed wandelweer. Deze keer was dat dus minder. We hebben zelden zoveel regen gezien, maar het moet gezegd worden dat de Vierwaldstädtersee genoeg biedt om ook een regenachtige vakantie op een prettige manier om te krijgen.

Zwitserland is een prachtig, maar jammer genoeg duur vakantieland. De Vierwaldstättersee is daarvan voor ons een fantastisch hoogtepunt geweest.
Zwitserland is een prachtig, maar jammer genoeg duur vakantieland.

Meer weten?

Ook het reisverslag van de Albulapas en de Julierpas is het bekijken waard.

Lees meer…

Attentie! Alle teksten, foto’s en andere afbeeldingen op de pagina’s van deze website vallen onder het auteursrecht en mogen niet verveelvoudigd, gekopieerd (via druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook), openbaar gemaakt of elders op internet gezet worden  zonder voorafgaande toestemming van de auteur en eigenaar van deze website.